Historiek

Op 3 februari 1958 ondertekenden België, Nederland en Luxemburg in Den Haag (’s Gravenhage) het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.

Deze economische unie hield het vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten in, de coördinatie van het economisch, financieel en sociaal beleid en het volgen van een gemeenschappelijke handelspolitiek met derde landen.

Het Verdrag van 3 februari 1958 en de Overeenkomst van 5 november 1955 nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad (zie hiervoor : Het Beneluxparlement) waren niet het beginpunt van de samenwerking tussen de drie Beneluxlanden.  Het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie was in hoofdzaak een bundeling (codificering) van een groot aantal vroegere overeenkomsten, protocollen, afspraken, enz., tussen de drie Beneluxlanden.

Er kan onder andere worden verwezen naar de Douane-Unie (Overeenkomst van Londen, 1944), de Economische Voor-Unie (Overeenkomst van 15 oktober 1949), het Protocol inzake de Coördinatie van de Economische en Sociale Politiek (24 juli 1953), het Protocol inzake de Handelspolitiek (9 december 1953 – ingevolge het sluiten van dit protocol werd de Benelux als een eenheid erkend in het kader van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking) en het Akkoord inzake Kapitaalverkeer (30 juli 1954).

Het Verdrag werd evenmin gezien als het sluitstuk van de Beneluxsamenwerking.  Bij de bespreking ervan in de plenaire vergadering van het Beneluxparlement (1957) werd niet alleen gewezen op het reeds geleverde werk en de voorsprong die door de Benelux daarmee was opgebouwd op de door het Verdrag van Rome van 25 maart 1957 opgerichte Europese Economische Gemeenschap (Gemeenschappelijke Markt) maar ook op het belang, zowel voor de Beneluxlanden zelf als voor het succes van die Gemeenschappelijke Markt, om die voorsprong op het vlak van de economische integratie te behouden.

Er werd ook opgemerkt dat de integratie die de Benelux nastreefde op een aantal punten verderging dan de doelstellingen die werden nagestreefd door de Europese Gemeenschappelijke Markt.

Ter zake werd ook verwezen naar artikel 223 van het Verdrag van Rome.  Luidens dat artikel vormden de bepalingen van het Verdrag geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unie tussen de Beneluxlanden voor zover de doelstellingen van die unie niet bereikt waren door de toepassing van het Verdrag.

Het Verdrag van 1958 tot instelling van de Benelux Economische Unie was gesloten voor een tijdvak van vijftig jaar en zou vervolgens telkens stilzwijgend worden verlengd voor een periode van tien jaar, tenzij het werd opgezegd door één van de partijen.

Bij de afloop van de eerste verdragsperiode van vijftig jaar wensten de regeringen van de drie landen de Beneluxsamenwerking niet alleen voort te zetten, maar ook uit te diepen.

Gelet onder andere op de gewijzigde Europese context, het ontstaan van nieuwe aandachtspunten en de gewijzigde Belgische staatsstructuur (een aantal werkdomeinen van de Benelux behoorden voortaan in België tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of de gewesten), beslisten zij het Verdrag van 1958 niet stilzwijgend te verlengen, maar te herzien.  Daartoe ondertekenden zij, met inbegrip wat België betreft van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, op 17 juni 2008 in Den Haag het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie.