Het Beneluxparlement

Juridisch kader

Op 5 november 1955 ondertekenden België, Nederland en het Groothertogdom Luxemburg in Brussel de overeenkomst nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad.

De Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad had als opdracht te beraadslagen en adviezen uit te brengen aan de regeringen van de drie landen met betrekking tot de totstandkoming en de werking van een economische unie tussen de Beneluxlanden, de culturele toenadering, de samenwerking op het gebied van het buitenlands beleid en de eenmaking van het recht in de drie landen.

De Beneluxraad kon met instemming van de drie regeringen ook beraadslagen en adviezen uitbrengen over andere aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.

Iets meer dan twee jaar na de ondertekening van de overeenkomst van 5 november 1955 ondertekenden België, Nederland en Luxemburg op 3 februari 1958 in Den Haag het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (Verdrag van ’s Gravenhage van 3 februari 1958).

Krachtens dit verdrag werd de Beneluxraad naast onder andere het Comité van Ministers, één van de instellingen van de Benelux Economische Unie. Aan de bestaande samenstelling, bevoegdheden of werking van de Beneluxraad werd voor het overige niet geraakt.

Het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie werd herzien door het Verdrag van Den Haag van 17 juni 2008 tot instelling van de Benelux Unie (Verdrag van ’s Gravenhage van 17 juni 2008).

Dit verdrag bevestigt de rol van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad als instelling van de Benelux Unie, eveneens zonder te raken aan de krachtens de Overeenkomst van 1955 geldende samenstelling, bevoegdheden of werkwijze van de Beneluxraad.

(Voor meer informatie over het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie en het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, zie hierna : De Beneluxsamenwerking – De Benelux Unie).

De Overeenkomst van 1955 nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad was gesloten voor onbepaalde tijd en kon worden opgezegd door elk van de partijen met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

De regeringen van de drie landen die hun onderlinge samenwerking wensten voort te zetten, zoals reeds bleek uit de ondertekening van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie, maar ook de Beneluxraad zelf, achtten het nochtans aangewezen de Overeenkomst van 1955 eveneens te herzien.

De Beneluxraad had, dank zij het gezamenlijk optreden van de vertegenwoordigingen van de parlementen van de drie landen, sedert het ontstaan van de Benelux een essentiële bijdrage geleverd aan de Beneluxsamenwerking. De regeringen en de Beneluxraad wensten, in gezamenlijk overleg, deze bijdrage zowel te bestendigen als te verdiepen.

Bovendien hield de Overeenkomst van 1955 geen rekening met de huidige Belgische staatsstructuur.

Alhoewel de Belgische vertegenwoordiging in de Beneluxraad de facto sedert een tiental jaren niet langer uitsluitend bestond uit parlementsleden van het federale parlement (senatoren en leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers) en ook leden van de gemeenschaps- en gewestparlementen omvatte, ontbrak tot dan toe elke verdragsrechtelijke basis voor hun aanwezigheid in de Beneluxraad.

Ten slotte leek het ook aangewezen om zonder afbreuk te doen aan de bestaande bevoegdheden van de Beneluxraad, een nieuwe verdragsbasis te scheppen die afgestemd was op de door het Verdrag van 2008 tot instelling van de Benelux Unie geactualiseerde doelstellingen van de Beneluxsamenwerking.

Tijdens de besprekingen die moesten leiden tot een nieuw verdrag werd ook beslist de officiële benaming van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad te vervangen door een nieuwe benaming die meer aansluit bij de op het internationale vlak gangbare terminologie voor vergelijkbare samenwerkingsverbanden tussen parlementen.

Op 20 januari 2015 ondertekenden de regeringen van de drie landen, met inbegrip, wat België betreft, van de gemeenschaps- en gewestregeringen, in Brussel het Verdrag van de Benelux Interparlementaire Assemblee.

Dit verdrag is in werking getreden op 1 augustus 2019, na instemming van de parlementen van de drie landen, met inbegrip van de Belgische gemeenschaps- en gewestparlementen.

De overeenkomst van 1955 nopens de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad is aldus vervallen en de nieuwe benaming is ‘Benelux Interparlementaire Assemblee’.

De huidige officiële benaming is trouwens in de dagelijkse praktijk sedert een aantal jaren al grotendeels in onbruik geraakt. Zowel intern in de Benelux zelf als in externe verwijzingen wordt sedert een aantal jaren de facto de benaming Beneluxparlement gebruikt.

Het is ook die benaming die verder in deze website wordt gebruikt.

Bevoegdheden

Alhoewel de bevoegdheden van het Beneluxparlement tot nader order nog worden bepaald door de Overeenkomst van 5 november 1955 nopens de instelling van een Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad (zie hiervoor) heeft het Beneluxparlement zijn werking via zijn Reglement van Orde reeds afgestemd op het (nog in werking te treden) Verdrag van 20 januari 2015 over de Benelux Interparlementaire Assemblee en op het werkdomein van de Benelux Unie zoals bepaald in het Verdrag van 17 juni 2008 tot instelling van de Benelux Unie.

Overeenkomstig het verdrag van 20 januari 2015 over de Benelux Interparlementaire Assemblee kan het Beneluxparlement alle onderwerpen behandelen die…

  • de grensoverschrijdende samenwerking op alle niveaus;
  • het voortbestaan en de verdere ontwikkeling van een economische unie;
  • de duurzame ontwikkeling;
  • de samenwerking inzake justitie en binnenlandse zaken;
  • de externe samenwerking van de Benelux Unie met andere staten en deelstaten, in het bijzonder met lidstaten van de Europese Unie en regionale samenwerkingsverbanden van deze lidstaten;
  • de samenwerking tussen de drie landen op het gebied van het buitenlandse beleid en van Europese aangelegenheden.

Het kan over deze onderwerpen adviezen uitbrengen, onder meer in de vorm van aanbevelingen, aan het Benelux Comité van Ministers of aan de regeringen van de drie landen die bij een bepaald onderwerp zijn betrokken.

Het Beneluxparlement kan over deze onderwerpen ook schriftelijke vragen stellen aan het Benelux Comité van Ministers (zie hierna : De Benelux Unie) of aan de betrokken regeringen van de drie landen.

Naast de hiervoor vermelde aangelegenheden kan het Beneluxparlement ook andere aangelegenheden van gemeenschappelijk belang bespreken, indien twee derden van zijn leden hiermee instemt.

Het Beneluxparlement heeft ook een ombudsfunctie.

Art. 55 van het Reglement van orde

 De verzoeken en klachten die aan de assemblee worden gericht met betrekking tot moeilijkheden die rijzen ten gevolge van een gebrekkige afstemming van de wetgeving of regelgeving van de drie landen of een verschillende toepassing ervan, worden door de voorzitter overgemaakt aan de bevoegde ombudsmannen van de drie landen.

Indien de voorzitter van oordeel is dat het verzoek of de klacht het individuele geval overstijgt en wijst op een algemeen probleem, kan hij er ook kennis van geven aan de voor de aangelegenheid bevoegde commissies.

De voorzitter of de daartoe door het Bureau aangewezen commissievoorzitters of leden overleggen jaarlijks met de ombudsmannen over de verzoeken of klachten die zij ontvingen met betrekking tot aangelegenheden die tot het werkdomein van de Benelux Unie en de bevoegdheden van de assemblee behoren.

Vaak gaat het om problemen met betrekking tot belastingen, pensioenen, studenten, ziekteverzekering of mobiliteit. Het signaal vanuit het Beneluxparlement leidt vaak tot verdere ontwikkelingen en resultaten (zie informatievoorziening en dienstverlening aan internationale studenten).